De dag waarop de verweerder uiterlijk moet verschijnen, wordt door de eiser/verzoeker opgenomen in de procesinleiding. Deze dag ligt ten minste vier weken en uiterlijk zes maanden na de dag van indiening van de procesinleiding bij de rechter (art. 30a lid 3 sub c nieuw Rv). 

Wordt echter het oproepingsbericht bij de verweerder betekend vóórdat de procesinleiding wordt ingediend (art. 113 nieuw Rv), dan ligt de dag waarop de verweerder uiterlijk moet verschijnen ten minste twee weken en uiterlijk zes maanden na de dag van die betekening (art. 30a lid 3 sub c nieuw Rv).

Bij buitenlandse verweerders zijn deze termijnen anders (art. 115 nieuw Rv).

De datum van verschijnen vermeld in het oproepingsbericht is een uiterste datum. Het staat de verweerder vrij om eerder te verschijnen.

Na verschijning heeft de verweerder in kantonzaken (vorderingszaken) vier weken de tijd om een verweerschrift in te dienen, in niet-kantonzaken zes weken. Dit is ook vermeld in het oproepingsbericht (art. 111 lid 2 onder c nieuw Rv). De termijnen van zes, respectievelijk vier weken voor het indienen van een verweerschrift gelden ook voor het indien van een verweerschrift tegen tegenvorderingen (art. 30i lid 9 nieuw Rv).

Voor verzoekzaken bepaalt art. 282 nieuw Rv dat iedere belanghebbende tot tien dagen voor aanvang van de mondelinge behandeling stukken kan indienen, tenzij de wet een andere termijn voorschrijft. De rechter kan toestaan dat het verweerschrift kan worden ingediend op de mondelinge behandeling.