Artikel 30i lid 4 nieuw Rv bepaalt dat de verweerder alle excepties en zijn verweer ten principale tegelijk naar voren moet brengen, op straffe van verval van niet aangevoerde excepties en – indien niet ten principale verweer is gevoerd – van het recht om dat alsnog te doen. Deze regel is overigens niet nieuw.

Excepties zijn de verweren die ertoe strekken dat de rechter op grond van regels van processuele aard niet aan een beoordeling van de rechtsbetrekking in geschil zelf kan toekomen, zo heeft de Hoge Raad al bepaald in zijn arrest van 22 oktober 1993, NJ 1994/374. Principale verweren zijn de verweren die betrekking hebben op de materiële rechtsbetrekking in geschil en zijn derhalve inhoudelijke verweren.

Het vijfde lid van art. 30i nieuw Rv bevat daarnaast nog een aparte bepaling ten aanzien van de zogenoemde exceptie van beraad. De exceptie van beraad is de exceptie die de verweerder kan opwerpen indien hij zich nog beraadt ten aanzien van het al dan niet aanvaarden van een erfenis (art. 4:185 BW) of het al dan niet afstand doen van een gemeenschap (art. 1:104 BW). Art. 30i lid 5 nieuw Rv bepaalt dat degene die een exceptie van beraad opwerpt, daarmee, in afwijking van art. 30i lid 4 nieuw Rv, kan volstaan. De verweerder hoeft in dat geval dus vooralsnog geen verdere excepties of verweren ten principale naar voren te brengen.