Art. 30i lid 1 nieuw Rv bepaalt dat het verweer met redenen moet zijn omkleed. Verder dient de verweerder of belanghebbende de bewijsmiddelen waarover hij kan beschikken, alsmede de getuigen die hij wenst te horen, in zijn verweerschrift te vermelden (art. 30i lid 6 nieuw Rv).

Voor zover mogelijk moeten de bewijsstukken bij het verweerschrift worden gevoegd. Kan dat niet, dan dienen de bewijsstukken zo snel mogelijk en in ieder geval uiterlijk tien dagen vóór de mondelinge behandeling te zijn ingediend (art. 30k lid 5 nieuw Rv). Stukken die later worden ingediend blijven buiten beschouwing, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of art. 30c lid 8 nieuw Rv (indiener is redelijkerwijs niet in verzuim geweest) van toepassing is.

Het doel van de ‘tiendagentermijn’ is dat partijen zich goed kunnen voorbereiden op de zitting. Wanneer hen voldoende voorbereidingstijd wordt geboden om de stukken, conclusies en akten te bestuderen, is de kans groter dat de zaak met één mondelinge behandeling kan worden afgerond. 

Ook stukken die tijdig zijn ingediend kunnen overigens op grond van de goede procesorde door de rechter buiten beschouwing worden gelaten, bijvoorbeeld wanneer het een zeer omvangrijk stuk is en de indiener al eerder over dat stuk beschikte (MvT 34 059 (KEI I), p. 26).