In het nieuwe procesrecht zijn de belangrijkste termijnen in de wet vastgelegd (voorheen waren deze uitsluitend in de procesreglementen/rolreglementen neergelegd). De rechter kan altijd van de wettelijke termijnen afwijken, door ze te verlengen of te verkorten (art. 30o lid 1 onder a nieuw Rv).

Voor proceshandelingen waarvoor de wet geen termijn stelt, bepaalt de rechter de termijnen. Bijvoorbeeld als partijen nader standpunten kunnen wisselen, een zitting wordt bevolen of een geplande zitting wordt aangehouden, of als nadere stukken kunnen worden ingediend en daarop kan worden gereageerd (art. 30o lid 1 onder b-d en lid 2 nieuw Rv). Een verdere uitwerking van termijnen voor het verrichten van proceshandelingen is te vinden in het Landelijk procesreglement civiele zaken rechtbanken en gerechtshoven KEI.

De termijnen onder het nieuwe procesrecht zijn uiterste termijnen. Dit betekent dat het een procespartij vrij staat om de toepasselijke proceshandeling eerder te verrichten.