Eén van de kernelementen van het wetsvoorstel is de introductie van een uniforme ‘procesinleiding’ als start van alle civiele procedures. Daarmee verdwijnt het huidige onderscheid tussen dagvaarding en verzoekschrift als procesinleidend stuk. Overigens blijft afgezien van de procesinleiding het onderscheid tussen dagvaardings- en verzoekschriftzaken – in de terminologie van het wetsvoorstel: vorderings- en verzoekzaken – wel bestaan.

Art. 30a lid 3 nieuw Rv bepaalt welke gegevens de procesinleiding ten minste moet bevatten. Naast gegevens als de naam en woonplaats van de eiser en verweerder gaat het hier met name om de gronden van de vordering of het verzoek (vgl. het huidige art. 111 Rv resp. 278 Rv), de daartegen aangevoerde verweren (de substantiëringsplicht van thans art. 111 lid 3 Rv) en de bewijsmiddelen waarover de eiser of verzoeker beschikt (de bewijsaandraagplicht die nu in art. 111 lid 3 Rv is neergelegd).

In de nieuwe procesinleiding hoeft de verzoeker niet meer de huidige aanzeggingen over onder meer de wijze van verschijnen, de verschuldigdheid van griffierecht, en de gevolgen bij niet-verschijnen of niet-betalen van het griffierecht. Deze aanzeggingen worden neergelegd in het oproepingsbericht dat de griffier (waarschijnlijk geautomatiseerd) aan de eiser toestuurt na de indiening van de procesinleiding (art. 111 nieuw Rv). De eiser in een vorderingsprocedure moet dit oproepingsbericht vervolgens zelf aan de verweerder bezorgen of laten betekenen (art. 112/113 nieuw Rv). In een verzoekprocedure zorgt de rechter voor de oproeping van belanghebbenden (art. 272 nieuw Rv).