In art. 30k lid 1 nieuw Rv is bepaald dat partijen in ieder geval de gelegenheid krijgen om hun stellingen mondeling toe te lichten. Deze mogelijkheid komt in de plaats van het recht op pleidooi, zoals dat onder het huidige recht verankerd is in art. 134 Rv. Art. 134 Rv zal dan ook worden geschrapt.

In de wetgeschiedenis is een aantal keer ingegaan op de verhouding tussen art. 6 EVRM en de afschaffing van het recht op pleidooi. Het concept-wetsvoorstel bevatte namelijk nog de bepaling dat de rechter partijen in de gelegenheid “kan” stellen om hun zaak mondeling toe te lichten. Dat is na de consultatie van het concept-wetsvoorstel aangepast. Art. 30k lid 1 nieuw Rv bepaalt dat de rechter partijen tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid stelt om hun stellingen mondeling toe te lichten. De mogelijkheid om hun stellingen mondeling toe te lichten moeten partijen altijd krijgen (MvT KEI I, p. 5). De wetgever is van mening dat met deze aanpassing de wet in overeenstemming met het in art. 6 EVRM verankerde recht op een “oral hearing”.

Bovendien hoeft deze wetswijziging niet te betekenen dat het pleidooi als zodanig geheel zal verdwijnen. Het is aan de rechter overgelaten hoe hij de mondelinge behandeling concreet invult. De rechter kan er dus ook voor kiezen om de mondelinge behandeling – of een eventuele andere zitting in de zin van art. 30o nieuw Rv – zo in te richten dat de zitting neerkomt op een pleidooi zoals we dat nu nog kennen.