De mondelinge behandeling vormt volgens de wetgever in het nieuwe procesrecht het “hart van de procedure”. Het is de bedoeling dat na de mondelinge behandeling (wellicht zelfs mondeling; art. 30p nieuw Rv) uitspraak kan worden gedaan. Aan het einde van de mondelinge behandeling moet de rechter in principe over alle informatie beschikken die benodigd is voor het doen van een uitspraak.

In artikel 30k nieuw Rv worden de mogelijkheden weergegeven die de rechter ten dienste staan om dat te bereiken. Voorop staat de mogelijkheid voor partijen om hun stellingen mondeling toe te lichten. Daarnaast behoudt de rechter de mogelijkheid om inlichtingen te verzamelen (art. 30k lid 1 onder a nieuw Rv en om een schikking te beproeven (art. 30k lid 1 onder c nieuw Rv). Art. 30l nieuw Rv werkt vervolgens het verzamelen van inlichtingen uit en art. 30m nieuw Rv doet dat voor de schikking ter zitting. Deze handvatten zijn niet nieuw. Zo kon de rechter al een schikkings- en inlichtingencomparitie gelasten (art. 87 respectievelijk 88 Rv). Wel nieuw is dat de regels voor de schikking ter zitting ook voor de verzoekprocedure gaan gelden.

Art. 30k lid 2 nieuw Rv regelt verder dat de rechter tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen onder ede kan horen. Daarvoor is dan geen afzonderlijke zitting meer vereist. De namen van de te horen personen moeten uiterlijk tien dagen van tevoren worden gemeld aan de griffier en de wederpartij. De rechter kan het vervolgens van het verloop van de mondelinge behandeling laten afhangen of hij de getuigen en deskundigen ook daadwerkelijk ter zitting zal horen. Hij is dus niet verplicht om de getuigen en deskundigen te horen.

Art. 30k lid 3 nieuw Rv bepaalt dat de griffier de partijen (voor zover mogelijk) bericht over het doel van de mondelinge behandeling.