De datum van de mondelinge behandeling wordt in vorderingszaken zo spoedig mogelijk nadat de verweerder is verschenen, gepland. In verzoekzaken wordt de datum van de mondelinge behandeling bepaald nadat de verzoeker zijn procesinleiding heeft ingediend (art. 30j nieuw Rv).

Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het de bedoeling van de wetgever is om de mondelinge behandeling in vorderingszaken plaats te laten vinden negen weken nadat de verweerder is verschenen. In verzoekzaken zou de mondelinge behandeling dan plaats moeten vinden vijftien weken nadat de verzoeker zijn procesinleiding heeft ingediend. In zaken waarin het in verband met de aard of de complexiteit nodig is dat extra proceshandelingen worden verricht, zal van de zojuist genoemde negen respectievelijk vijftien weken worden afgeweken. Dat zal ook gelden voor de procedures waarin een tegenvordering of –verzoek wordt gedaan, of een incidentele vordering wordt ingesteld. De termijn tussen de oproeping van partijen en de mondelinge behandeling is in ieder geval drie weken, tenzij sprake is van een kortgedingprocedure (art. 30j lid 1 nieuw Rv).

Overigens kan de mondelinge behandeling slechts in enkele gevallen achterwege blijven. Art. 30j lid 5 nieuw Rv bepaalt ten aanzien van verzoekzaken dat geen mondelinge behandeling zal plaatsvinden indien de rechter zichzelf aanstonds onbevoegd of de eiser of verzoeker aanstonds niet-ontvankelijk verklaart. Ook als de rechter het verzoek kan toewijzen zonder belanghebbenden te horen (bijvoorbeeld in zaken waarin verlof wordt gevraagd tot het leggen van conservatoir beslag) of als er geen belanghebbenden zijn, zal geen mondelinge behandeling plaatsvinden.

In vorderingszaken geldt dat de rechter de mondelinge behandeling achterwege kan laten indien partijen daar gezamenlijk om verzoeken. De rechter kan ook uit eigen beweging afzien van een mondelinge behandeling, maar dan moeten partijen daar wel mee instemmen (art. 30j lid 6 nieuw Rv). Bij kantonzaken zal een mondelinge behandeling verder nog achterwege kunnen worden gelaten indien partijen, na te zijn gewezen op hun recht om te worden gehoord, niet binnen een door de rechter gestelde redelijke termijn aangeven gebruik te willen maken van dat recht (art. 30j lid 6 nieuw Rv).