Met de vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht streeft de wetgever naar een efficiënter en sneller verloop van zowel de civiele als de bestuursrechtelijke procedure. Door te digitaliseren wordt de rechtspraak aangepast aan de eisen van de tijd. De procedurele wijzigingen beogen de civiele procedure overzichtelijker en meer voorspelbaar te maken. De wijzigingen in het bestuursprocesrecht zijn beperkt. Het programma KEI omvat vier afzonderlijke wetsvoorstellen. Hieronder volgt een overzicht van de wetsvoorstellen en de hoofdlijnen van wat daarin geregeld wordt.

KEI-I – Procederen in het bestuursrecht en in het civiele recht (eerste aanleg)

Dit wetsvoorstel (34 059) voorziet ten eerste in de invoering, zowel in de civiele rechtspleging als in het bestuursrecht, van digitale procesvoering: procedures zullen in de toekomst primair via elektronische weg verlopen. Processtukken moeten digitaal worden ingediend en de uitspraak van de rechter wordt digitaal ontvangen. Op de verplichting tot digitaal procederen maakt de wet enkele uitzonderingen, bijvoorbeeld voor natuurlijke personen.

Ten tweede beoogt het wetsvoorstel vereenvoudiging van het burgerlijke procesrecht door invoering van één uniforme basisprocedure, die met één document (de “procesinleiding”) kan worden ingeleid. In deze procesinleiding kunnen een vordering en een verzoek ook gezamenlijk worden ingediend. Met de invoering van een geüniformeerde rechtsingang worden de verschillen tussen de huidige dagvaardings- en verzoekschriftprocedure verminderd. De basisprocedure heeft vaste wettelijke termijnen en bestaat in beginsel uit één schriftelijke ronde, een mondelinge behandeling en daarna uitspraak. De nieuwe civiele basisprocedure biedt de rechter meer mogelijkheden om regie te voeren op het verloop van de procedure.

KEI-II – Procederen in hoger beroep en cassatie

Dit wetsvoorstel (34 138) voorziet in een soortgelijke regeling voor de appelprocedure als voor zaken in eerste aanleg. Met de aanpassingen in het appelprocesrecht wordt gestreefd naar kortere doorlooptijden en een meer voorspelbare rechtsgang. De veranderingen voor de cassatierechtspraak zijn beperkt. Het gaat hier vooral om de indiening van het cassatieberoepschrift langs elektronische weg en de digitale stukkenwisseling. De procedure begint – net als bij het hoger beroep – met de indiening van een uniforme procesinleiding.

KEI-III – Invoeringswet

De Invoeringswet (34 212) regelt de aanpassing van de overige wetgeving aan de nieuwe terminologie van het procesrecht, zoals het vervangen van de term dagvaarding door procesinleiding of oproepingsbericht. Verder voorziet dit wetsvoorstel in aanpassing van de Wet griffierechten in burgerlijke zaken (Wgbz), in verband met de nieuwe wijze van aanbrengen van een zaak. In de Wgbz wordt voor vorderingszaken een intrekkingsregeling geïntroduceerd op grond waarvan de eiser een deel van het griffierecht terugkrijgt indien hij de procedure intrekt voordat de wederpartij is verschenen.

KEI-IV – Invoeringsrijkswet

Wetsvoorstel 34 237 strekt tot aanpassing van enkele Rijkswetten in verband met de wijzigingen die voortvloeien uit de wetsvoorstellen KEI-I en KEI-II. De voorgestelde wijzigingen hebben uitsluitend betrekking op civiele procedures die bij de Nederlandse rechtbanken, hoven en de Hoge Raad (zie art. 2 Wet RO) worden gevoerd. Zij hebben dus geen consequenties voor de wijze van procederen bij de Gerechten in eerste aanleg en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Gemeenschappelijk Hof van Justitie).

Het wetsvoorstel strekt daarnaast tot uitbreiding van de procedure ex art. 392 Rv (prejudiciële vragen aan de Hoge Raad) tot dit deel van het Koninkrijk. Net als de Nederlandse gerechten krijgen het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en de Gerechten in eerste aanleg de bevoegdheid om in civielrechtelijke procedures prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen.