De dagvaardings- en verzoekschriftprocedure – in het wetsvoorstel aangeduid als vorderings- en verzoekprocedure (zie hier) – groeien al enkele decennia naar elkaar toe. De overgang naar één inleidend processtuk en één uniforme basisprocedure is hiervan een vervolgstap. Niettemin blijven vorderingen en verzoekschriften door eigen procesregels beheerst, neergelegd in respectievelijk de tweede en de derde titel van het Eerste Boek van Rv. Ook wordt geen wijziging gebracht in de regels die bepalen of een procedure met een vordering dan wel een verzoek moet worden ingesteld. 

Een inhoudelijke vernieuwing is de mogelijkheid van een gecombineerde procedure voor vorderingen en verzoeken (art. 30b nieuw Rv; zie hier). Verder gaat de substantiëringsplicht van het huidige art. 111 lid 3 Rv bijvoorbeeld ook gelden in verzoekprocedures (art. 30a lid 3 nieuw Rv).

Van een verdergaande harmonisatie van vorderings- en verzoekprocedures is voorlopig afgezien. Wel houdt de wetgever rekening met de mogelijkheid dat “een zekere gewenning optreedt ten aanzien van de gedachte dat ook andere verschillen tussen verzoek- en vorderingsprocedures kunnen worden weggenomen” (MvT 34 059 (KEI I), p. 15-16).