Art. 30a bepaalt dat vorderingen en verzoekschriften worden ingesteld door middel van een procesinleiding. De termen ‘dagvaarding’ en ‘verzoekschrift’ komen hiermee te vervallen. Het onderscheid tussen procedures betreffende vorderingen en verzoekschriften blijft als zodanig gehandhaafd. Deze procedures heten voortaan ‘vorderingsprocedures’ en ‘verzoekprocedures’ (art. 30a lid 2; MvT 34 059 (KEI I), p. 57).

Degene die een vordering of verzoek instelt, blijft als vanouds ‘eiser’ respectievelijk ‘verzoeker’ heten. Degene die door de eiser in een vorderingsprocedure wordt betrokken, heet niet langer ‘gedaagde’ maar ‘verweerder’ (ook zolang hij nog niet in het geding is verschenen). De partij die in een verzoekprocedure een verweerschrift indient, blijft ‘belanghebbende’ heten (MvT 34 059 (KEI I), p. 57).

Het processtuk waarmee in vorderings- of verzoekprocedures verweer wordt gevoerd, heet steeds ‘verweerschrift’. De term ‘conclusie van antwoord’ verdwijnt dus. De uitspraak in vorderings- en verzoekprocedures blijft ‘vonnis’ respectievelijk ‘beschikking’ heten. De term ‘terechtzitting’ wordt vervangen door ‘zitting’ (als overkoepelende term voor alle mogelijke bijeenkomsten van partijen met de rechter) respectievelijk ‘mondelinge behandeling’ (als speciesbegrip voor de in art. 30j e.v. bedoelde zitting). De term ‘verschijnen’ vervangt het vroegere ‘zich stellen’ (MvT 34 059 (KEI I), p. 57 en 90).