Art. 30b biedt de mogelijkheid om met één procesinleiding gelijktijdig een vordering en een verzoek in te dienen, mits tussen beide voldoende samenhang bestaat en de Nederlandse rechter bevoegd is van beide kennis te nemen (lid 1). De wetgever denkt hierbij bijvoorbeeld aan een procedure over ontbinding van een arbeidsovereenkomst, waarbij tevens achterstallig loon of schadevergoeding wordt gevorderd (MvT 34 059 (KEI I), p. 60).

Op de gecombineerde procedure zijn in beginsel de regels van de vorderingsprocedure van toepassing (lid 2). Voor het niet tijdig betalen van griffierechten en het instellen van hoger beroep en cassatie blijven evenwel de onderscheiden regels van vorderings- en verzoekprocedure gelden (lid 3). Zo leidt het niet tijdig betalen van griffierechten door verweerder in een vorderingsprocedure tot een veroordeling  bij verstek, en in een verzoekprocedure (slechts) tot het buiten beschouwing laten van het verweerschrift. Gecombineerde behandeling laat voorts bijvoorbeeld de gelding van bijzondere beroepstermijnen onverlet (MvT 34 059 (KEI I), p. 17-18).

Lenen de gezamenlijk aangebrachte vorderingen en verzoeken zich naar het oordeel van de rechter niet voor gezamenlijke behandeling, dan splitst hij de zaak (lid 4).

Gecombineerde behandeling leidt tot een gecombineerde uitspraak. Volgens de wetgever verdient het aanbeveling dat de rechter specificeert welk deel van zijn uitspraak betrekking heeft op de vordering, en derhalve kwalificeert als vonnis, en welk deel van de uitspraak betrekking heeft op een verzoek, en derhalve kwalificeert als een beschikking (MvT 34 059 (KEI I), p. 18 en 61).

Van een gecombineerde uitspraak in eerste aanleg over een vordering en een verzoek kan gezamenlijk hoger beroep worden ingesteld, mits zowel het vonnis als de beschikking appellabel is. In hoger beroep beoordeelt het gerechthof opnieuw of gecombineerde behandeling op de voet van art. 343 lid 2 jo. 30b is aangewezen (MvT 34 059 (KEI I), p. 19 en MvT 34 138 (KEI II), p. 14).

De gecombineerde procedure wordt voor de heffing van het griffierecht beschouwd als één zaak. De hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van het financiële belang van het vorderingsdeel van de procedure, tenzij de regels van de verzoekprocedure op het geding van toepassing zijn (MvT 34 059 (KEI I), p. 60 en MvT 34 212 (KEI III), p. 27).