In zowel art. 30c lid 1 als art. 30c lid 2 Rv is opgenomen dat de rechter kan bepalen dat indiening van stukken en overige (proces)handelingen langs andere dan elektronische weg plaatsvindt. Een voorbeeld van een geval waarin de rechter van deze bevoegdheid gebruik kan maken, is de indiening van vertrouwelijke of concurrentiegevoelige gegevens. Art. 4.8 lid 2 en 3 van het (voorlopig) technisch procesreglement bevatten een regeling voor dergelijke gegevens, in het geval ten aanzien daarvan een beroep op art. 22 lid 2 en art. 22a Rv wordt gedaan. In dat geval worden de stukken eerst in papieren vorm ingediend; de rechter bepaalt vervolgens of en hoe procesdeelnemers tot die stukken toegang hebben.

Een ander voorbeeld van indiening langs andere weg, doet zich voor bij voorwerpen die alleen ‘fysiek’ kunnen worden ingediend. Deze kunnen ter griffie worden gedeponeerd, waarna in het digitaal dossier een akte van depot zal worden opgenomen (zie art. 4.7 van het (voorlopig) technisch procesreglement).

Bij AMvB kunnen eveneens (in meer algemene zin) uitzonderingen op de verplichting tot stukkenwisseling langs elektronische weg worden gemaakt (art. 30c lid 4 Rv).