Art. 7 van het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht bevat een uitzondering op de verplichting tot digitaal procederen voor ‘buitenlandse’ ondernemingen en rechtspersonen. Ondernemingen en rechtspersonen die niet (op grond van art. 5 en 6 Handelsregisterwet) in het Nederlandse handelsregister zijn ingeschreven, zijn niet verplicht tot digitaal procederen, tenzij zij worden vertegenwoordigd door een derde (dit zal in de praktijk veelal een advocaat zijn) die in Nederland verplicht is tot digitaal procederen. Voor in het buitenland woonachtige natuurlijke personen geldt de algemene uitzondering van art. 30c lid 4 Rv (nieuw) en art. 8:36b lid 1 Awb (nieuw): natuurlijke personen zijn niet verplicht tot digitaal procederen, tenzij zij worden vertegenwoordigd door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent.

Achterliggende gedachte bij deze uitzonderingen voor buitenlandse procespartijen is dat zij niet zullen (kunnen) beschikken over de vereiste authenticatiemiddelen om toegang te krijgen tot het digitale systeem. Om een eHerkenningsmiddel te verkrijgen moet een rechtspersoon zijn ingeschreven in het Handelsregister, hetgeen alleen het geval is wanneer een hoofdvestiging of nevenvestiging in Nederland in stand wordt gehouden. Natuurlijke personen hebben om toegang te krijgen tot het digitale systeem een DigiD nodig, dat alleen met een (Nederlands) burgerservicenummer (BSN) kan worden verkregen.