De regeling voor het digitaal procederen is grotendeels neergelegd in art. 30c tot en met 30f Rv (nieuw). en art. 8:36a tot en met art. 8:36e Awb (nieuw). Op grond van art. 30f Rv (nieuw) en art. 8:36f Awb (nieuw) kunnen nadere regels hierover worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur (AMvB).

Deze AmvB is het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht (Stb. 2016, 292). Dit Besluit bevat onder meer de eisen voor het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten (art. 2), de authenticatie-eisen om toegang tot dit systeem te verkrijgen (art. 3) en de eisen aan de elektronische handtekening (art. 5). Daarnaast bevat het Besluit onder meer (in aanvulling op art. 30c lid 4 Rv (nieuw)) een verdere uitzondering op de verplichting tot digitaal procederen (art. 7) en een nadere uitwerking van de ‘hardheidsclausule’ van art. 30c lid 8 Rv (nieuw) en art. 8:36a lid 7 Awb (nieuw) voor het geval van verstoringen van de toegang tot het digitale systeem op de laatste dag van een termijn.