Vandaag zijn de Koninklijke Besluiten gepubliceerd die regelen dat het digitaal procederen in civiele vorderingszaken in cassatie op 1 maart 2017 in werking treedt (Stb. 2017/16 en Stb. 2017/17). Met deze inwerkingtredingsdatum loopt de Hoge Raad vooruit op de invoering van de KEI-wetsvoorstellen bij de rechtbanken, die momenteel nog in de pilotfase verkeert. Daarmee is de Hoge Raad het eerste gerecht met een volledig digitale procedure, zo vermeldt het persbericht.

Een (logisch maar) bijzonder gevolg van de vooruitgeschoven invoering in cassatie is dat de nieuwe afdeling 1.1.3a Rv, met algemene voorschriften voor civiele procedures, per 1 maart 2017 alléén voor vorderingsprocedures bij de Hoge Raad in werking zal treden (zie art. II.1.A van het invoeringsbesluit van 25 januari 2017, Stb. 2017/16).

Ook het nieuwe procesreglement van de Hoge Raad is vandaag gepubliceerd (Stcrt. 2017/5928). Daarin is een nieuw hoofdstuk 2 opgenomen over het webportaal van de Hoge Raad. Hierin is geregeld wie toegang hebben tot het webportaal (een partij, belanghebbende of procesvertegenwoordiger) en hoe zij daarvan gebruik kunnen maken. Van belang is art. 2.3.2, dat bepaalt dat digitaal ingediende documenten dienen te voldoen aan de technische eisen die zijn vermeld op de website van de Hoge Raad.

Hoofdstuk 3 van het procesreglement is gewijd aan de procesregels in civiele zaken. In paragraaf 3.1.4 is geregeld hoe civiele vorderingszaken digitaal bij de Hoge Raad worden aangebracht (door indiening van de procesinleiding in het webportaal, waarna de griffier een oproepingsbericht in het webportaal plaatst). Vertrouwd is dat de behandeling van civiele zaken ook in het digitale tijdperk geconcentreerd blijft op de vrijdagen om 10.00 uur (art. 3.1.3.1). De vroegere ‘rolzitting’ blijft daarmee (niet in naam maar wel) de facto behouden.